Een autonoom wezen

autonoom wezen

Miaauuw, miaauw!

Rrrrrrrrrrr… 
rrrrrrrrrrr…

Heftig spinnend komt onze kat zich naast mij nestelen, en ze strijkt met haar lichaam langs mijn benen. 
We hebben al een jaar of acht een kat in huis. Het is een dier dat uit een nest bij de buren komt, en dat zich spontaan bij ons kwam vestigen. In het begin hebben we geprobeerd om haar weer naar huis te krijgen, maar het jong gaf niet toe. Het bleef steeds weer terugkomen, en uiteindelijk konden we niet anders dan haar bij ons in huis opnemen. 
Het mag gerust gezegd dat het een heel lieve kat is, want ik heb haar in al die tijd nog nooit iemand weten krabben of bedreigen, ook niet als ze zich zelf bedreigd voelde. We hebben haar dan maar ‘snoepie’ genoemd! Misschien ook wel omdat dit de voornaamste eigenschap van haar baasje is.

Er is een tijd geweest, dat ik de kat steeds haar zin gaf. Iedere keer wanneer ik thuiskwam, stond ze me trouw op te wachten, en draaide ze als een gek om me heen. Ze wou dan dat ik in de zetel ging zitten, om zich naast of op mij kunnen neer te vleien. De ene keer kwam ze vrolijk spinnend op mijn buik liggen, dan weer bovenop mijn rug, of als ze geen plaats genoeg had duwde ze met haar pootjes tot ik zelf opzij schoof om hare majesteit wat meer ruimte te geven. 
Ik ben er moeten mee stoppen, want ik kon mij op de duur niet eens meer in de zetel zetten zonder dat de kat binnen de vijf seconden onmiddellijk haar plaats naast of op mij innam. Ik had de kat als het ware afhankelijk van mij gemaakt! Het leek wel of haar geluk rechtstreeks beïnvloed werd door mijn aanwezigheid, en zij gebruikte mij om zich met energie te laden. Natuurlijk kon dit zo niet langer blijven duren, en heb ik dit ritueel moeten beëindigen. Het was geen leven meer.

Maar omdat alles in het leven niet zomaar gebeurt, moest er een reden zijn waarom de kat zich tegen mij zo gedroeg. Ze was altijd heel lief, maar ik vond haar op de duur een zeur, een klagend wezen dat anderen nodig heeft om gelukkig te zijn. ‘Ben je daar nu weer’, dacht ik telkens ik haar zag.
Ik realiseerde mij dat hetgeen ik over de kat dacht, ook op mij van toepassing moest zijn. Maar hoe? 
Heel lang heb ik mijn hoofd hierover gebroken. 
Ik dacht nochtans dat ik vrij zelfstandig was, en dat ik gerust wel enige tijd zonder de aandacht van al te veel mensen om me heen kon overleven. Toen wist ik echter nog niet wat ik in een van de vorige hoofdstukken met jullie besproken heb. Het is God niet te doen om je een beetje te helpen, en je voor de rest aan je lot over te laten. Neen, God wil dat je de volledige weg bewandelt. God zal pas tevreden zijn wanneer je aan al zijn criteria voldoet voor de volle honderd procent, en je dus een volledig autonoom en zelfstandig bewustzijn bent, dat weliswaar binnen het groter geheel en met de bescherming van dat geheel en de liefde, zelfstandig zijn weg gaat, en zijn verantwoordelijkheid in de zin van liefde voor iedereen opneemt. 
Ik was me dus met andere woorden nog niet bewust van het feit dat ik de ganse tijd tegen God zelf aan het zagen en klagen was, omdat ik over zoveel dingen nog onzeker was. En God vond dat het stilletjes wel moet zijn geweest, en dat ik ook maar eens mijn eigen verantwoordelijkheid mocht opnemen. 
Ik vroeg dan ook elke dag maar raak. 
’Wat betekent dit? Hoe moet ik dat nu weer interpreteren? Zal ik op deze manier wel genoeg hebben om te overleven? Zullen mijn naaste familieleden niets tekort hebben als ik die weg opga? Moet ik dan werkelijk dat doen? Zal ik het aandurven?’
Er waren duizend, neen honderdduizend vragen die ik telkens weer aan God voorlegde. En ik kreeg waarschijnlijk ook telkens een antwoord, maar ik verstond het antwoord niet eens.

Maar toen begon ik langzaam aan te begrijpen dat ik niet moest blijven vragen aan God, want dat ik op die manier afhankelijk van Hem was. Ik moest zelf ook eens de beslissing nemen dat mijn leven die richting moest uitgaan! 
Het was aan mij om mijn wil te gebruiken! Niet meer voor een of ander persoonlijk doel, maar wel om de wereld van God op aarde te kunnen manifesteren.
Het is namelijk dezelfde wil die we in het eerste hoofdstukje gebruikten om al dan niet een vijs terug te vinden, die ik nu moest gebruiken om de weg van God te bewandelen. Dit was waar ik mezelf moest van overtuigen: Wanneer je de weg gaat, dan zal je niets tekort hebben, en dan zal je begeleid worden in alles wat je doet! Daar moest ik van overtuigd raken. Want als ik die wil niet toonde, dat het zo moet zijn, dan kon God mij niet begeleiden, eenvoudigweg omdat ik dan in angst verkeerde over dat gegeven, en dus twijfels over het bestaan als schepper van mijn eigen realiteit had. En wanneer je schepper bent, en je schept twijfel, nou dan is het twijfel die zich in je leven manifesteert. Ik moest stoppen met twijfelen aan mijn capaciteiten die mij door God zelf werden gegeven, en moest mijn wil tonen om dat scheppingsrecht voor me op te eisen. Als ik in dienst van God een zelfstandig en vrij leven wou kennen, dan moest ik dat niet alleen maar vragen, maar dan moest ik dat ook overtuigd voor mezelf willen, en er niet aan twijfelen of het wel mogelijk zou zijn. Het is mogelijk, alleen maar wannéér ik het wil, en alleen maar omdát ik het wil.

’Ik ben zoon van God, en als ik samen met God in liefde denk, dan kan er mij niets ontbreken!’ Ik kan om het even wat scheppen, dus waarom zou ik ook niet een wereld kunnen scheppen waarin ik niets tekort kom, zelfs al ga ik dan niet meer voluit voor een carrière in de maatschappij, de enige manier om volgens de maatschappelijke normen iets te bereiken in de wereld. 
Daar moest ik vanaf nu stilaan van overtuigd raken, want zolang die overtuiging niet in mij leeft, zolang die overtuiging geen deel uitmaakt van mijn persoon, zolang zal ik ook Gods werken niet in vertrouwen kunnen uitvoeren. Alleen wanneer ik zeker ben dat ik altijd de middelen zal hebben die ik nodig heb, zal ik ze ook hebben. Als ik daar maar het minste over twijfel, zal ik ze niet hebben. Zo eenvoudig is het. 
Ik moet het niet blijven vragen, maar ik moet gewoon willen dat het zo is. Ik moet willen dat mijn vertrouwen in zekerheid verandert. Het vertrouwen in mijn eigen kracht moet zo groot zijn dat er geen enkele twijfel bestaat of het al dan niet mogelijk is. En daarom is er de wil nodig om niet meer aan God en de scheppingskracht te twijfelen. De wil is nodig, en een heel sterke wil zelfs, om je vertrouwen zo hoog te brengen dat alle twijfel is verdwenen. Om het even wat je schept, het zal zich manifesteren, dus ook dat het allemaal heel makkelijk gaat, en dat alles vanzelf naar je toe komt. Zonder die sterke wil, dat het voor jou zó moet zijn, krijg je nooit verbinding met het volledig autonome wezen dat je door God bestemd was te zijn. 
Twijfel moet plaatsmaken voor wil. 
De wil om een autonoom functionerend wezen te zijn onder de hoede van God, gedragen door het ganse universum, en steeds bewust dat je iedere seconde je eigen realiteit aan het scheppen bent, alleen maar door de gedachten te koesteren waar je waarde aan hecht.

 

Dat is wat de kat mij op haar manier kwam vertellen.

 

Foto's

photo photo photo photo