Een breekpunt

    In het kleine stadje waar ik woon, en niet zo ver bij mijn huis vandaan, woont er een zonderling man. De man leeft schijnbaar in zijn eigen wereldje, en doet helemaal niet mee met de dolkomische richting die de maatschappij ons allemaal laat uitgaan. 
    Hij draagt stevige, maar blijkbaar steeds dezelfde kleren, die hem tegen alle weer en wind moeten beschermen. Zijn jas is oud en al behoorlijk versleten, maar toch draagt hij hem iedere dag opnieuw, wanneer we hem zien vertrekken, God weet waar naatoe. Want iedere dag gaat hij te voet ergens heen, waarschijnlijk om er zijn maaltijd voor die dag te nuttigen. Dat is dan ook de reden waarom we hem heel oneerbiedwaardig ‘de zwerver’ noemen. Hij heeft wel wat van een rondtrekkende bedelaar qua uitzicht, maar bedelen doet hij helemaal niet. En ik denk dan stilletjes bij mezelf: ‘ach, eigenlijk zijn we hier allemaal op een of andere manier wel zwervers op deze planeet!’
    Hij woont voor de rest ook helemaal alleen, in een vervallen huis, een redelijk groot huis eigenlijk, dat hij waarschijnlijk geërfd heeft van zijn familie. Zonder stromend water en elektriciteit, en zonder enig comfort of lichamelijk gemak, verblijft hij dag in dag uit, het ene seizoen na het andere, op zijn eentje in wat voor ons werkelijk erbarmelijke en zielige omstandigheden lijken.

    In feite zijn er in de buurt maar heel weinig mensen die deze man ook eens aanspreken, of hem eens een goede dag toewensen. 
    Vooroordelen weet je wel!
    En ik moet toegeven dat ook ik lang geaarzeld heb om met hem contact op te nemen. 
    Want in feite intrigeerde de man me wel. 
    Ik dacht: niemand gaat zomaar vrijwillig in armoede leven, zonder enig lichamelijk gemak, terwijl je heden ten dage maar moet aankloppen bij het OCMW, of de bijstand, en zij jou onmiddellijk geven wat je nodig hebt om je leven toch een klein beetje menswaardiger te maken. 
    Die man moet dus ofwel héél dom, ofwel héél slim zijn, want een gemiddelde mens doet zoiets niet.

    Soms zag ik hem in het kleine tuintje voor zijn huis. Nou ja tuintje, gewoon wat kale aarde en enkele boompjes die er spontaan zijn gegroeid, en ik dacht bij mezelf dat ik daar toch eens het fijne wou van weten. 
    Wie weet kan ik van hem niet een of andere wijsheid opsteken. 
    Maar echt tot de daad overgaan, en met hem contact opnemen durfde ik nog niet meteen. Ik vertelde het op een morgen ook eens aan onze buurvrouw, dat die man mij wel intrigeerde, en dat ik dacht dat het waarschijnlijk een heel slimme man moest zijn, die om een of andere reden verkoos om zo te leven. Maar zij bekeek mij onmiddellijk met een blik in haar ogen die mij meteen als een waanzinnige bestempelde, waardoor ik verder maar wijselijk mijn mond hield, aangezien ik het zelf ook nog niet zeker wist natuurlijk. Ik moest het dan maar zelf eens gaan uitzoeken.

    Op zekere dag was het dan zover. Ik had een lange wandeling gemaakt door het dorp, en kwam onbewust en totaal onverwacht voorbij het huis van ‘de zwerver’. Reeds van honderd meter afstand kon ik duidelijk zien dat hij vooraan in zijn tuintje aan het werken was, en ik zou dus op een afstand van niet meer dan vier of vijf meter bij hem vandaan passeren. 
    ’Zou ik hem aanspreken?’
    ’Maar wat moet ik zeggen?’
    ’Hoe begin ik aan het gesprek?’
    ’Wie weet snauwt hij me wel een of ander lelijks toe!’
    ’Heb ik wel het recht om in die man zijn leven binnen te dringen?’

    En terwijl ik dit allemaal aan het denken was, liep ik het huis, de tuin en de zwerver gewoon voorbij. Hij had niet eens opgekeken toen ik voorbijging.
    ’Neen, dit kan niet’, dacht ik bij mezelf. ‘Dit is dé kans om het te weten te komen, en ik mag die niet laten voorbijgaan.’ En dus keerde ik op mijn stappen terug, aarzelend, weifelend, niet wetend wat ik moest zeggen of vragen om met die man een gesprek aan te knopen.
    ’Ha…ha…hallo!’ riep ik hem toe, vanaf de zijkant van de weg. 
    Prompt stond de man recht, keek even in mijn richting, en kwam onmiddellijk naar me toe. Ik verwachtte een harde stem, nors en bar, maar tegen alle verwachting in zei de man heel vriendelijk en met een bijna vrouwelijk zachte stem lachend goedendag tegen mij. 
    ’Ik heu,…’
    ’Nou ja, ik heu…’
    ’Ik ben eigenlijk wel nieuwsgierig naar jouw levensvisie, en hoe je er toe komt om op deze manier te leven’ zei ik hem aarzelend.
    Ik verwachtte opnieuw een afwijzing, maar terstond nam de man me mee vooraan in zijn tuintje, en wees mij op enkele plantjes die daar door hem waren aangeplant.
    Zijn stem was nog steeds een wonder voor mij. Zo zacht en aangenaam had ik het helemaal niet verwacht. Integendeel.
    ’Zie je deze plantjes hier’, vroeg hij mij. ‘Zie je hoe het ene nu in de schaduw staat, en het andere ondertussen, vanwege zijn plaats waar het is terechtgekomen, kan genieten van de volle zon?’…

    Ik wist onmiddellijk dat deze man ook op zoek was naar de diepere zingeving voor het leven. Niemand begint een gesprek over plantjes en de plaats waar ze staan, bij een eerste kennismaking. Ik voelde me onmiddellijk thuis.

    We hebben werkelijk nog een hele tijd staan praten, en gedurende het gesprek kwam aan het licht dat deze man echt niet zo dom was als de meeste mensen van hem wel dachten. Hij sprak met gemak vier talen, kende vele historische schrijvers, en wist overal wel een citaat voor te vinden. Ik was werkelijk aangenaam verrast.
    Gedurende het gesprek kwam ook aan het licht waarom hij op deze manier verkoos te leven. Ergens was hij gekwetst geraakt in zijn gevoelens, en werd hij door zijn omgeving niet begrepen. Maar ik heb daar niet verder op aangedrongen, omdat dit bij een eerste gesprek al te opdringerig zou overkomen, dacht ik. Ik wou de man gewoon leren kennen, en wist nu in welke richting zijn gedachten gingen.

     

    ‘Weet je wanneer er verandering komt in het leven’, vroeg hij mij. En hij wees terug op zijn plantjes, langs de kant van de weg deze keer, die hij daar had neergezet om de niets ontziende automobilisten te beletten om zomaar overal alle ruimte voor zich op te eisen, en hun wagen te parkeren, of zich om te keren op de weg en de bijhorende berm, waar ze het maar gedacht hebben. 
    ’Het is pas wanneer er genoeg tegenkanting komt, wanneer er genoeg reactie in de tegenovergestelde richting is, dat er verandering in het leven komt.’
    ’Kijk maar naar de automobilisten’, zei hij. ‘Alleen wanneer genoeg mensen laten weten dat het nu wel welletjes is geweest, wanneer er keer op keer botsingen zijn, en de tegenstand meer en meer van zich laat horen, zodat het voor de automobilisten echt niet logisch meer is om zomaar te doen wat ze al zolang gewoon zijn te doen, alleen dan komt er een breekpunt.’
    ’Alleen wanneer de tegenstroom sterkt genoeg wordt, zijn mensen bereid om te veranderen.’ En daarom zet ik mijn plantjes langs de kant van de weg, om hen te tonen dat ze echt zo niet kunnen blijven doorgaan in hun egoïstische redeneringen.

    Ik kon natuurlijk niet anders dan hem gelijk geven. Het is inderdaad zo dat mensen alleen van hun oude ideeën afstappen wanneer ze genoeg met hun hoofd tegen de muur zijn gebotst. Alleen wanneer de nieuwe buil, bovenop de oude nog pijnlijke plek van de vorige keer belandt, en de pijn dus extra en dubbel wordt, hebben mensen de neiging om te gaan nadenken over de juistheid van hun handelen. 
    Dat is zo in de maatschappij, waar heel dikwijls moet worden gewacht op een jarenlange evolutie van het gemeenschappelijk bewustzijn, vooraleer een revolutie kans heeft om te slagen. Mensen hebben heel vaak langdurige perioden van oorlog of honger en verdriet nodig om te beseffen dat de richting die ze met hun gedachten uitgaan niet de juiste is, en ze bereid zijn om die te veranderen. Alleen wanneer het leven zo duidelijk en zo hard tegen hen gesproken heeft, dat de ene buil bovenop de andere komt te staan, zijn ze bereid om het breekpunt te aanvaarden, en een nieuwe richting uit te gaan.

    En zo gebeurt het ook met het algemeen bewustzijn van onze planeet. Alleen wanneer genoeg mensen verlangen naar een nieuwe mogelijkheid om het bestaan zin te geven, alleen wanneer het eigen denken hen tientallen keren met het hoofd tegen de muur heeft gekeild, alleen dan zijn mensen bereid om de nieuwe ideeën een kans te geven. 
    En ik dacht spontaan terug aan de manier waarop ikzelf ooit met mijn zoektocht begonnen ben. Ik zou nooit begonnen zijn, als het leven mij niet in die richting had gedwongen.

    Het zou dus voor iedereen beter zijn indien de richting die het leven zelf ons wil aantonen, wat vlugger begrepen en aanvaard werd. Wanneer je werkelijk keer op keer mislukt, wanneer je keer op keer tegen een muur aanloopt, wacht dan niet op het breekpunt, maar denk na. 
    Breken doet pijn!
    Je kan door inzicht spontaan kiezen om je weg om te buigen, en zo het latere breekpunt vermijden, door er op voorhand een buigpunt van te maken. Buigen is veel makkelijker dan breken, want bij breken moeten er ook brokken gelijmd worden. Buigen geeft meer soepelheid, en kan geleidelijk aan gebeuren. Buigen doet ook niet zo’n pijn als breken. Buigen gebeurt door inzicht, breken gaat gepaard met wanhoop.

    En toch wachten de meeste mensen op een breekpunt om hun ideeën te veranderen. 
    Snap je nu waarom er soms oorlog nodig is, of een natuurramp, of een persoonlijke crisis om mensen tot bezinning te laten komen? Snap je nu waarom het leven soms zo moeilijk is?
    Mensen vereenzelvigen zich met ego’s, en ego’s zijn koppigaards, want het leven toont hen iedere dag de weg, maar zij luisteren niet. 
    Ego’s verkiezen liever om te barsten, veeleer dan te buigen.

    Ik dank ‘de zwerver’ dan ook voor de inzichten die hij met mij wenste te delen.

     

 

 

 

Foto's

photo photo photo photo