|
|
De
erfzonde
Ik wil jullie nu graag een verhaaltje vertellen. Het is een verhaal
dat jullie waarschijnlijk al veel eerder hebben gehoord , en dat jullie allemaal
heel welbekend in de oren zal klinken. Maar toch zijn er maar weinig mensen op
deze planeet die ooit de essentie van dit verhaal gesnapt hebben. Het is het
verhaal van Adam en Eva.

Adam en Eva leefden bij God in het paradijs. Zij waren de kinderen
van God, want God zelf had hen geschapen naar zijn evenbeeld. Er was in het
paradijs aan helemaal niets een tekort, en alles wat hun hartje verlangde vonden
zij in overvloed aanwezig. God was degene die zorg voor hen droeg, en zij lieten
zich zijn zorg zeer welgevallen. Adam en Eva kenden geen enkel tekort,
merkten geen verschillen onder elkaar, en hadden ook geen angst voor dingen die
hen konden overkomen. Zij waren dan ook geen lichamen, maar bestonden enkel
en alleen als een zuiver bewustzijn van liefde. Het paradijs was er voor hen, en zij
genoten mateloos van hetgeen hen door hun vader geschonken werd. In het
paradijs was alles van even grote waarde, en niets was beter dan iets anders.
Hun bewustzijn dacht als één, want eender wat zij ontmoetten op hun weg, het was
altijd een geschenk, en altijd weer een verrassing. In het paradijs gaf iedereen
voluit liefde aan iedereen, en niemand dacht eraan dat hij iets tekort had, of
dat hij ook maar iets tegoed had van iemand anders. Samen met hun schepping,
had God hen ook de talenten van gedachtekracht en een vrije wil toebedeeld. En
Adam en Eva lieten zich de vrije wil en de gedachtekracht van God zeer
welgevallen, en gebruikten hun eigen talent om ook de anderen alleen maar liefde
toe te sturen. Iedereen was dus altijd tevreden, had alle liefde die hij nodig
had, en kreeg aandacht in overvloed. Zo leefden zij als een liefdevol en
gelukkig bewustzijn in het paradijs.
Tot er op een zekere morgen een verraderlijke gedachte binnensloop
in het paradijs. Deze gedachte wordt gesymboliseerd door een slang, die listig
sissend, en altijd klaar voor de aanval haar plan al had uitgewerkt. De slang
had een heel beperkt bewustzijn, en verkondigde haar kortzichtige waarheid op
een listige manier. Door een deel van de waarheid verborgen te houden, liet zij
Adam en Eva geloven dat er ergens in het paradijs een schat verborgen was, nog
groter dan de schat die ze nu al hadden. ‘Er is dus nog iets beters dan het
paradijs zelf,’ dachten Adam en Eva. ‘Die schat,’ zei de slang, ‘heeft de
vorm van een appel. En hij hangt aan een boom waar jullie niet mogen van
proeven.’ Plotseling gebeurde er een omwenteling in het bewustzijn van Adam
en Eva. Voorheen hadden ze er nog nooit over nagedacht om naar iets specifieks
op zoek te gaan, want ze genoten van de verrassingen die hen iedere dag te beurt
vielen, en van het zorgeloze bestaan dat hen door God geschonken was. Al die
verrassingen van iedere dag hadden een even grote waarde in hun ogen, want ze
gaven hen werkelijk een tevreden en een volledig voldaan gevoel. En ze hoefden
dan ook niet naar iets speciaals op zoek te gaan om zich nog beter te voelen,
gewoon omdat ze alles al hadden wat hun hartje begeerde. Maar nu geloofden ze
plotseling dat er iets beters was gevonden! Iets unieks, veel beter dan al de
rest!
Uit de overvloed van het paradijs pikten ze één enkel ding uit als
zijnde belangrijker dan al het andere, en onmiddellijk begon de wanhopige
zoektocht naar de verborgen schat. Ze voelden zich door God bedrogen. Waarom
had God dit voor hen verborgen gehouden? Dit moest werkelijk hét van hét
zijn! Nog beter dan het paradijs! Althans, zo had de slang het hen ingefluisterd. Plotseling zagen
Adam en Eva de overvloed niet meer waarin ze leefden, maar ervaarden ze een
acuut tekort in hun bewustzijn. Omdat ze zo dringend op zoek moesten naar dat
éne, dat zoveel groter en beter was dan al het andere, vergaten ze naar de
overvloed die hen nog altijd te beurt viel, te kijken. Ze waren heel ongelukkig
nu, want ze hadden hun schat nog steeds niet gevonden, en ze dachten dat ze
misdeeld waren door God, omdat dat éne hen altijd onthouden werd. Maar om die
ene schat te vinden, moesten ze wel al het andere achterlaten om hem te
bemachtigen. Die appel! En er was er maar één! Die moesten ze zien te
bemachtigen! Dan zouden ze voor zichzelf een eigen paradijs kunnen maken,
met nog meer mogelijkheden dan deze die ze nu al kenden. Waarom zouden ze hun
gedachtekracht en hun vrije wil niet gebruiken om zelf een paradijs te maken? En
waarom zou dat ene daar dan niet bij mogen horen? Had God hen niet uitdrukkelijk
verteld dat ze van dat ene niet mochten proeven? Waarom dan niet? Wat heeft God
te verbergen?
Wat Adam en Eva niet beseften, en wat de slang voor hen verzwegen
had, was dat God met dat éne bedoelde, dat ze uit de overvloed die aanwezig was,
niet het ene mochten belangrijker maken dan het andere, omdat dan de waarde van
het geheel in hun bewustzijn zou worden tenietgedaan. God bedoelde: als je uit
alles wat je hebt, één enkel ding gaat uitkiezen dat je meer begerenswaardig
acht dan de rest, dan verlies je het paradijs van overvloed, ten koste van je
eigen droom die het paradijs opsplitst in delen die ‘beter’ en ‘minder goed’
voor je zijn. Wanneer je alles hebt, en je gaat daar één ding uit kiezen dat
je waardevoller acht dan de rest, dan ga je in je bewustzijn alleen maar naar
dat éne op zoek, met als kostprijs het verlies van al het andere.
Die stomme
appel!
Het had eigenlijk om het even wat kunnen zijn! Een appel, een peer,
een tak, een lap grond… Eender wat ze zouden kiezen als zijnde belangrijker dan
het andere, zou hen de gewaarwording kosten van het paradijs waarin ze leefden.
Want nu joegen ze hun eigen schat na, één ding slechts, boven al het andere.
Een schat die er maar één in zijn bezit
kon hebben, en zo verloren ze ondertussen de schat van overvloed uit het oog die
hun vader hen geschonken had. Vanuit de kracht van overvloed kozen ze
domweg voor de zwakte van gemis en ontbering, en voor het verlangen naar iets
wat ze nooit konden hebben voor zichzelf alleen, maar wat ze voorheen wel
allemaal hadden als onderdeel van het geheel. En deze verandering van
denkrichting veranderde gans hun wereld! Hun gedachtekracht ging nu alleen
nog naar die appel uit, die zo speciaal geworden was dat ze hem alle twee wel
wilden hebben, waardoor hij natuurlijk direct voor tweedracht zorgde in hun
rangen. Voorheen was het om het even welke appel er gegeten werd, maar nu!
Die ene, die moesten ze voor zichzelf weten te bemachtigen! Want dat was van
alle schatten de grootste, dachten ze. En hun vrije wil stond er garant voor dat
God hen niet zou tegenhouden in hun zoektocht.
Toen ze de appel eenmaal geplukt hadden, gebeurde er iets
verschrikkelijks. Het was alsof het paradijs plotseling in twee werd gescheurd.
Het ene werd lelijk, het andere mooi. Het ene was waardevol, het andere
waardeloos. Het ene werd klein, het andere groot… De dingen leken in
uitersten voor hen te verschijnen nu. Er was geen eenheid meer, maar dualiteit. Ze hadden in hun bewustzijn datgene
wat van
gelijke waarde was ongelijk gemaakt, waardoor ze nu alleen nog konden kijken
met ogen die op zoek gingen naar speciale dingen om hun groeiende onzekerheid te
verbergen. Want dat ze nu onzeker waren, dat was zeker. Ze hadden immers
de gave van God, het paradijs zelf, uit het oog verloren. Ze stonden elk
helemaal alleen nu in hun wanhopige zoektocht naar het beste. En bovendien moesten ze ook nog eens hun eigen schat
verdedigen tegen de ander, want er was maar één waardevolle appel in het ganse
paradijs!
Adam en Eva die voorheen als één leefden, en geen verschil kenden
onder elkaar, zagen nu plots dat ze ‘twee’ geworden waren. Hun denken was
opgesplitst in verschillende waarde-oordelen, waardoor ze niet meer wisten wat
echte waarde had en wat niet. Ze waren ook niet meer hetzelfde nu, want ze zagen
er heel anders uit nadat ze van de appel hadden geproefd. Nu had elk van hen
andere belangen gekregen, en ook verschillende doelen om na te streven. En toen
merkten ze ineens dat ze naakt en helemaal verschillend voor elkaar stonden, en
ze schaamden zich voor elkaar, en trokken zich terug elk in hun eigen wereld.
Die éne gedachte dat er ook maar iets beter kon zijn dan het andere, had hen
onmiddellijk in een andere werkelijkheid gebracht. Niets was nog gelijk aan
elkaar, en overal om hen heen merkten ze verschillen op. Hun bewustzijn had
duidelijk een ferme deuk gekregen, want van de overvloed die ze daarstraks nog
kenden, zagen ze nu in het geheel niets meer.
Ze hadden hun eigen gedachtekracht dan ook schromelijk onderschat!
Want ze hadden gekozen voor een wereld van ongelijkheid en strijd, en ze hadden
die onmiddellijk gekregen toen ze er met hun gedachtekracht om vroegen. De kracht
van de gedachte is onbeperkt. Samen
met de appel, samen met het achterlaten van de overvloed en het kiezen voor
slechts één ding uit die overvloed, was het oordeel in hun bewustzijn
binnengedrongen. Iets was beter geworden dan iets anders, en moest daarom
nagestreefd, gekoesterd en beschermd worden! Tevoren was er helemaal niets waarover
ze zich zorgen hoefden te maken, maar nu moesten ze met grote angst en twijfel
datgene beschermen waarvan ze dachten dat het waardevoller was dan al de rest.
En dat terwijl hen vroeger alles gegeven werd, en ze daar helemaal niet over
oordeelden, of er helemaal niet aan dachten dat het waardevoller was dan wat een
ander had.
Dat was het dus! God had hen willen behoeden voor een fatale
denkfout in hun bewustzijn, en had hen gezegd dat ze wel in overvloed konden
leven, maar dat ze uit die overvloed niet één enkel ding mochten uitkiezen als
zijnde belangrijker of beter dan de rest. Want indien ze dat zouden doen, dan
zouden ze het bewustzijn van hun overvloed verliezen in ruil voor het bewustzijn
van beperking. God kende de gevaren van gedachtekracht en vrije wil die Hij
aan Zijn kinderen geschonken had! En daarom had Hij hen verboden om niet van de
appel, om niet van dat ene dat je belangrijker acht dan het andere, te proeven.
Die appel stond dus gewoon symbool voor het kiezen zelf! Het ging hem niet
om de appel, helemaal niet, want het had om het even wat kunnen zijn dat als
belangrijker werd gemaakt dan de rest. Maar het ging hem wel degelijk om de
vergissing van het kiezen zelf! Door één ding te kiezen uit ‘alles’, glipte er een oordeel binnen in het
paradijs, en samen met het oordeel kwam ook de schuld en de zonde
binnengewandeld. Aangezien ieder nu zijn eigen schat moest verdedigen, werden al
de anderen onmiddellijk als belagers gezien voor de zo moeilijk verworven
rijkdom, en daarmee dus ook onmiddellijk als zondaars en dieven bestempeld in
het eigen bewustzijn.
En toen gebeurde de fatale ontploffing! Big bang! Het
bewustzijn dat vroeger als één dacht, omdat het werd samengehouden door de
liefde en de overvloed van God, werd nu verscheurd in vele eenzame deeltjes,
omdat ze de liefde, die hen ooit als een sterke lijm samenhield, verworpen
hadden. En ze werden allemaal verspreid over tijd en ruimte in het zopas
ontstane heelal. Het ene deeltje bewustzijn wilde met het andere niets meer te
maken hebben, want ze gingen voortaan elk hun eigen weg, waardoor ze zich
genoodzaakt zagen zich te verwijderen van elkaar in een ruimte en een tijd die ze
voor zichzelf hadden geschapen. Het materiële heelal was geboren!
Eén enkele beslissing, namelijk het ene verkiezen boven het andere,
heeft ervoor gezorgd dat we voortaan in een wereld van oordelen en zonde, en ver
weg van elkaar, verder moeten leven. Voorheen kenden we geen oordeel, omdat
alles goed werd bevonden zoals het was. Er werd eenvoudigweg niet over
nagedacht. Er was dan ook geen noodzaak om iets als ‘beter’ of ‘slechter’ te
benoemen. Maar zodra er één een begin mee maakt om onderscheid aan te brengen,
volgen ook al de anderen, en wordt het ganse bestaan in je bewustzijn herleid
tot een puinhoop van oordelen, zonde en schuld. De begrippen ‘goed’ en
‘kwaad’ zijn zo ontstaan omdat wij ooit een domme beslissing
hebben genomen in het verleden. Want wat de één nastreeft wil de ander ook, en dus worden ze nu
concurrenten voor mekaar. En ieder staat helemaal alleen, terwijl iedereen juist heel
graag
wil dat de ander hem helpt voor het invullen van de eigen droom. Zo worden
de anderen dan tot ‘het kwaad’ veroordeeld, niet ten opzichte van de werkelijkheid,
want die is in feite niet veranderd, maar
wel ten opzichte van jouw idee over de werkelijkheid, de droom, de schat die
je nu nastreeft.. En jij vereenzelvigt je voortaan
met die droom van je, waardoor je niet anders meer kan dan je makker voortaan
als een vijand te beschouwen. ’Goed en kwaad’ zijn dus slechts ideeën die
ontstaan zijn door eerst de eenheid van het leven te ontkennen,
en vervolgens bij jezelf een gebrek te gaan waarnemen dat moet gecompenseerd
worden. (die schat, weet je wel) ‘Goed en kwaad’ zijn ontstaan, omdat we uit
de overvloed van liefde die we kenden, een aantal dingen zijn gaan belangrijker
vinden dan de andere, waardoor er oordeel, onderscheid en schuld in onze
gedachten binnendrong.

|