Het zwijntje

    Op mijn wandeling ontmoette ik vandaag een bijzonder figuur. Hij was de vriend van Jezus zei hij.

    Het ging zo:

    Bij het binnenstappen van de dorpskern van het naburig dorp, staat er op de hoek om linksaf naar de kerk te gaan, een oud huis. Het huis is enkele maanden geleden uitgebrand, en alhoewel de muren nog overeind staan, moest het dak volledig vernieuwd worden, en is het dus nog steeds een puinhoop in en rond het gebouw zelf.

    Het voetpad is op die plaats niet echt heel breed, en ik passeerde rakelings langs een man die stond te gluren naar de tuin van het huis, door de kieren in de ijzeren poort die vroeger voor wat privacy in de tuin zorgde.
    'Het is me hier het boeltje wel', sprak hij me onmiddellijk aan. 
    De man zag er echt uit als een volksfiguur. 
    Zijn koersfiets stond tegen de muur, en hijzelf liep met halflange broek, witte sokken en sandalen, het huis te inspecteren. Hij had een baard, een pet op zijn hoofd, en een blik bier van een heel goed merk in zijn hand. Ik kon niet anders dan bij de man blijven staan, tenzij ik ervoor koos om heel ostentatief hem te negeren en verder te wandelen.
    Maar omdat ik het ondertussen wel al een beetje gewoon begin te worden, wist ik dat ik heel aandachtig moest luisteren. Ik was al wel eens eerder aangesproken door een dronkaard die me in zijn roes een heel belangrijke boodschap kwam vertellen. Meestal zeggen ze niet echt veel zinnigs, en lallen ze er maar op los, uren aan een stuk. Maar als er zo eentje naar mij toekomt, met een korte boodschap, dan ben ik heel alert voor hetgeen ik te horen krijg. De man had dus ogenblikkelijk mijn volledige aandacht.

    'Kijk eens naar die mooie kleuren van de afgevallen bladeren van de klimop', zei hij. Het was inderdaad een mooi aanblik. Het was herfst, en alle bladeren van de klimop waren rood, geel en bruin gekleurd, in een bont kleurenpalet overal verstrooid om het huis heen. De ganse buitengevel was immers begroeid met klimop, en overal zag je de kleurrijke bladeren verzameld om het huis heen.
    'Dat zijn allemaal groeihormonen', zei hij.
    Ik vertelde hem dat ik dat niet echt goed begreep, en vroeg om wat meer uitleg.
    'Ja, ja, de vriend van Jezus heeft gezegd dat zoiets heel goed is als groeihormoon', ging hij verder.

    Ik vond het verhaal wat onsamenhangend, maar spoorde hem toch aan om verder te vertellen.
    'Ken je de man uit het kraam dat hier af en toe wat verder langs de kant van de weg staat?'
    'De man die gebraden kippen verkoopt', vroeg ik hem.
    'Natuurlijk ken ik die, want af en toe gaan we daar wel eens kip halen wanneer er niet echt veel tijd is om te koken'.
    'Wel, hij heeft ook ribbetjes. Man, wat een lekkere ribbetjes zijn dat! Het is hij die me ook gezegd heeft hoe hij eraan komt, aan al dat lekker vlees. Weet je, dat hij in twintig dagen tijd, een klein varkentje van veertig kilo, kan omtoveren in een volwassen dier met mals en heel lekker vlees' zei hij.
    'En hoe zou hij dat dan moeten doen, vroeg ik hem. Wie vertelt dat allemaal?'
    'Wel, de vriend van Jezus, ik zei het je toch.'

    Ik snapte niet echt meer wie nu eigenlijk die vriend van Jezus moest zijn. Was het hijzelf, was het de kippenverkoper, of was het een stem in zijn hoofd die hij klaarblijkelijk hoorde.

    'Wie is dat dan, die vriend van Jezus?'
    'Hij staat hier voor jou!'
    'Vertel me dan eens hoe dat zit met dat varken. Hoe krijgt hij het in zo korte tijd klaargespeeld om een klein dier om te toveren tot een volgroeid varken.'
    'Ha, met die groeihormonen natuurlijk', zei hij lachend.
    'Hola, hola!, de vriend van Jezus zegt mij dat ik moet voortmaken, want dat er anders een blaam voor me wacht.'
    'Nu ja, ik denk wel dat Jezus jou dat wel zal vergeven', sprak ik hem toe.
    'Weet je hoelang het duurt vooraleer hij hier is', vroeg hij.
    'Ho, ik denk wel dat hij altijd en onmiddellijk hier bij ons is', zei ik hem.
    'Ge zijt er direct op!', keek hij me verbaasd aan.

    'niet met tarwe, zei hij, maar met rogge moet je ze voederen. Als je ze rogge geeft, dan gaat het veel sneller. Het is ook veel sterker.' De man bracht de aandacht van het verhaal weer op de varkens.
    Omdat ik nu eenmaal niet echt op de hoogte ben van het voer dat varkens krijgen, knikte ik maar instemmend met hem mee.
    'En suikerbieten zei hij. Al dat sap, die suiker, daar groeien ze dubbel zo snel van.'
    Opnieuw gaf ik hem gelijk.
    'En als ge dan twintig dagen wacht, twintig dagen, aangevuld met de groeihormonen van Jezus, dan hebt ge op minder dan drie weken in plaats van een klein varkentje van veertig kilo, ineens een volledig volgroeid varken van tweehonderd kilo.'
    Ik verwachtte nog wat meer uitleg, maar al wat ik kreeg was een stevige schouderklop. Je weet wel, zo een vriendelijk bedoelde schouderklop van een dronken man waarvan je meteen twee stappen achteruit deinst, en daarbovenop een hartelijke lach, alsof hij wou zeggen: 'jou heb ik weer eens goed te grazen genomen.'
    Onmiddellijk daarna verdween hij met zijn fiets, en ook ik draaide dan maar de hoek naar links om, om mijn wandeling verder te zetten.

    'Denk goed na, Johan. Wat heeft dit te betekenen?'
    Maar ik zag al heel gauw het verband met de dingen waar ik mee bezig was, en de woorden van de dronken kerel. Ik probeerde heel vaak in de dagelijkse omgang met mensen, om hun gedachten in de goede richting te leiden, de richting die ik zelf gevonden had na heel lang zoeken. Ik vond het mijn plicht om dat te doen, omdat ik besefte dat ik heel wat mensen heel wat kopbrekens kan besparen op die manier. Maar in de praktijk wou dat niet altijd zo goed lukken. Soms vertelde ik erover, en werd ik op regelrecht ongeloof onthaald. Ze keken me soms aan alsof ik hen een stofzuiger voor de bladeren in het bos kwam verkopen. En natuurlijk werkt dit ontmoedigend, wanneer je echt je best doet.

    Maar deze man kwam me uitleggen hoe het moest. Hij was zich waarschijnlijk niet eens bewust geweest van al wat hij me vertelde. Voor hem was het een goeie cafémop, een fabeltje waarmee hij de aandacht naar zich toe kon trekken.
    Voor mij echter, hadden zijn woorden heel veel betekenis. Ze waren namelijk een antwoord op een probleem waar ik regelmatig mee te maken kreeg.

    Het was natuurlijk aan mij, om ten allen tijde het goede voedsel te geven. Ik moest ervoor zorgen dat er een opening gemaakt werd tussen de persoon die ik wil helpen, en de kracht van het universum. Het goede voedsel dat ik moet aanreiken kan alleen maar liefde zijn. Gewoon onverdeelde aandacht voor de noodkreet van de medemens, zonder in medelijden te vervallen, en tegelijk mij ervan bewust zijn dat het ganse universum zit te wachten om hulp te bieden, als het daartoe de kans maar krijgt. 
    En die kans kan alleen maar benut worden wanneer één van de betrokken partijen zijn eigen wil uit de situatie weghaalt, en in plaats daarvan verkiest dat LIEFDE zelf de situatie overneemt.
    Het goede voedsel geven, en dan eenvoudigweg wat geduld uitoefenen (20 dagen?) tot de groeihormonen van Christus, die nu een woordje mogen meespreken, hun werk hebben gedaan!

    Zo eenvoudig kan het zijn.



 

Foto's

photo photo photo photo