Ruimte en tijd

    Ruimte en tijd bestaan niet!  Althans toch niet voor het goddelijke, want indien er voor God ruimte of tijd zou bestaan, dan zou hij geen macht en controle meer kunnen hebben over alles. Hij zou dan immers op een bepaalde plaats kunnen te laat komen, en dat zou betekenen dat het goddelijke kan falen. Zijn aandacht zou er ook door verdeeld zijn! God zou immers hier zijn, maar door het feit dat hij te laat is, zou hij ook daar al willen zijn. Op deze manier is God dan verdeeld tussen hier en daar, en kan hij dus niet meer almachtig zijn. Gelukkig is God het licht! En licht heeft nu eenmaal de eigenschap dat het zich voortbeweegt met de grootst mogelijke snelheid. Daardoor bevindt alles wat bestaat zich meteen ook in het centrum van God, want door zijn hoge snelheid bestaat er geen afstand meer voor hem!

    Voor ons bestaan ruimte en tijd wel degelijk. Wij hebben ze immers zelf gecreëerd door ons af te scheiden van onze bron, en door categoriek “neen” te zeggen tegen de hoogste bewustzijnsvorm. Doordat we onze energie momenteel gebruiken om te materialiseren, dit wil zeggen het samenklonteren van energie tot materie, verliezen we onze oorspronkelijke hoge snelheid van bewegen. Binnen het materiedeeltje trilt ieder oorspronkelijk energiedeeltje nog steeds met zijn eigen hoge snelheid. Maar de gevormde brok materie heeft een veel lagere snelheid dan zijn oorspronkelijke deeltjes.

    Bekijk eens aandachtig een stuk materie. De tafel waar je nu aan het lezen bent bijvoorbeeld. Deze tafel heeft geen eigen snelheid uit zichzelf. Nochtans is zij opgebouwd uit miljarden atomen! En in elk van die atomen trillen de protonen, neutronen en elektronen dan ook met een ongelooflijke snelheid rond elkaar. Er is dus heel veel beweging in die tafel. Alleen, wij zien dat niet! Het gebeurt op microscopisch niveau.

    Er steekt dus een voortdurende, formidabel hoge energie in deze tafel! Maar wij nemen enkel een doodgewone tafel waar, en niet een fantastische hoeveelheid energie die erin ligt opgeslagen. De energie van elk van die kleine deeltjes ligt alleen maar vast en gevangen, doordat ze de houtstructuur van die tafel moeten maken. Indien de deeltjes echter mekaar zouden vrijlaten, dan zou de tafel volledig verdwenen zijn. Het materiële is dan weg, en de deeltjes zouden uitdijen aan hun hoogste snelheid tot een voor ons chaotisch geheel.

    Doordat de materie in het begin van het ontstaan van het heelal steeds complexer werd samengesteld, ontstond er afstand en ruimte die steeds moeilijker te overbruggen viel. Het gevormde materiedeeltje dat merkelijk trager is dan het vrije energiedeeltje, heeft immers tijd nodig om zich van A naar B te begeven, omdat het nu eenmaal zichzelf vertraagt door bindingen met andere deeltjes aan te gaan. Een lichtdeeltje heeft daarvoor echter helemaal geen tijd nodig om die afstand te overbruggen. Dat komt omdat zijn hoge snelheid ervoor zorgt dat de afstand niet meer bestaat! Dit is nu een heel eigenaardige wet: Wanneer je reist aan de lichtsnelheid bestaat er geen afstand meer!!!

    Wat u nu leest, zal u wellicht ten zeerste verbazen, maar u hebt wel degelijk goed gelezen. Dat betekent dus dat voor wie reist aan de lichtsnelheid, zoals het licht zelf dat doet, alles is verzameld in één enkel punt van zowel tijd als ruimte. Met andere woorden, zowel tijd als afstand vallen op dat ogenblik volledig weg en zijn dan volledig onbestaande.

    Deze eigenaardige natuurwet ligt beschreven in de relativiteitstheorie van Einstein, en legt ons uit dat naarmate men dichter in de buurt komt van de lichtsnelheid, dat er op dat ogenblik heel andere natuurwetten beginnen te gelden dan degene die wij hier op aarde gewoon zijn. Dit is heel interessant voor onze theorie, want het levert het wetenschappelijk bewijs dat het wel degelijk mogelijk is dat alles in dit universum met elkaar verbonden is, zonder dat daarvoor tijd en afstand moet overbrugd worden. Daarmee wordt dus gezegd dat het dus wel degelijk mogelijk moet zijn dat er een goddelijke energie bestaat die alles in de hand heeft, en die overal en altijd aanwezig is, zonder dat hij zich daarvoor moet verplaatsen.

    Relativiteit betekent dat iets veranderlijk is, en dat het dus een andere waarde krijgt, wanneer het uit verschillende invalshoeken wordt bekeken. Dat is zo voor de ruimte en tijd zoals wij ze waarnemen. Wij hebben door de vertraging van onze energie helemaal geen eigen snelheid, en dus lijkt het universum voor ons zo ontzettend uitgebreid.

    Maar ruimte en tijd veranderen ook in waarde naarmate de snelheid van degene die haar waarneemt. Indien wij dus onze snelheid zouden verhogen, dan zouden wij zien dat de ruimte stelselmatig weer zou inkrimpen, naargelang onze snelheid toeneemt. Tot we op het punt zouden komen dat we de volledige lichtsnelheid hebben bereikt, en dan gebeurt het wonder van éénheid, want dan is alles opnieuw bij elkaar en is niets of niemand nog gescheiden van elkaar.

     

    Een voorbeeld.

    We leggen het nog even anders uit. Hoe sneller je gaat, hoe minder tijd je nodig hebt om van A naar B te rijden. Met dit begrip zijn we wel degelijk vertrouwd. Rijden we bijvoorbeeld van Brussel naar de kust, dan zullen we daar tegen een snelheid van 80 km per uur ongeveer een uur en dertig minuten over doen. Rijden we echter met een snelheid van 120 km per uur, dan zullen we maar een uurtje nodig hebben om dezelfde afstand te overbruggen. Voor de natuurwetten op aarde gaat deze formule op, en is dit dan ook zeer normaal.

    Wanneer we nu echter zeer hoge snelheden gaan ontwikkelen, dan doet zich toch een eigenaardigheid voor. Met een zeer hoge snelheid bedoelen we dan snelheden die de lichtsnelheid benaderen. (lichtsnelheid= 300.000 km per seconde.)  Het eigenaardige is dat de verhoudingen nu niet meer kloppen volgens onze aardse natuurkundewetten.

    Wanneer wij naar licht kijken, dan zoeft het ons voorbij met een snelheid van 300.000 km per seconde. Voor ons is dat een feit. Wij staan stil en het licht is in beweging. Maar veronderstel nu eens dat je een persoon zou kunnen laten plaatsnemen op zo een lichtdeeltje. Onze vriendin Mia reist met het lichtdeeltje mee. Peter staat van op het aardoppervlak te kijken en volgt het lichtdeeltje samen met zijn passagier Mia. Ze spreken af dat ze beiden de tijd zullen opnemen hoelang het lichtdeeltje erover doet om van A naar B te reizen. De afstand van A naar B bedraagt exact 3OO.OOO km.

     

     

    Afstand= 300.000 km.
    Snelheid= 300.000 km. per seconde

                                                                     (Mia op het lichtdeeltje)

               B          ____________*_______________   A

              

                                                                            (Aarde  +  Peter.)
                                                                  ----------*-----------

    Peter noteert één seconde voor Mia en het lichtdeeltje die samen van A naar B reizen.
                       Mia noteert nul seconden om samen met het lichtdeeltje van A naar B te reizen.

     

    Aangezien het licht reist met een snelheid van 3OO.OOO km per seconde ziet Peter van op de aarde het lichtdeeltje met Mia erop vertrekken in A, en exact één seconde later in B aankomen. Voor Peter is alles dus normaal verlopen. 
    We contacteren nu ook Mia, die zich samen met het lichtdeeltje in B bevindt. Tot onze verbazing zegt zij dat ze helemaal niet gereisd heeft. Er is voor haar geen tijd en geen afstand verstreken om van A naar B te gaan. Zij was op hetzelfde moment op beide plaatsen tegelijk! Nochtans heeft Peter haar duidelijk zien vertrekken op het lichtdeeltje in A, en haar één seconde later zien aankomen in B.

    We doen nu deze proef nog eens over, maar ditmaal met een iets trager deeltje. We nemen een deeltje waarvan we weten dat het voortbeweegt met 1/3 van de lichtsnelheid. Deze snelheid is dus nog steeds zeer hoog: 100.000 km per seconde.  
    Mia neemt opnieuw plaats op het deeltje, en we laten hen samen de afstand van A naar B nogmaals afleggen. Net als daarstraks kijkt Peter van op de aardbodem toe. Mia en het deeltje vertrekken in A en Peter start de chronometer. Exact drie seconden later komt Mia samen met het deeltje in B aan. Dit is de tijd die Peter heeft gemeten. 
    We contacteren nu opnieuw onze passagier Mia die met het deeltje is meegereisd. Deze keer heeft Mia wel gereisd. Zij heeft ook tijd en ruimte waargenomen. Dit betekent dus dat ook zij een afstand heeft afgelegd. Maar weer klopt haar tijd niet met de onze. Mia heeft er volgens haar eigen metingen slechts twee seconden over gedaan om de afstand A naar B te overbruggen.

     

    Afstand = 300.000 km.
    Snelheid = 100.000 km per seconde.

                                        (Mia op het lichtdeeltje)

               B    ______________*______________________A

    .

                                                                                    (Aarde  +   peter)
                                                                       -------------*-------------

    Peter noteert drie seconden voor Mia en het lichtdeeltje die samen van A naar B reizen.
                       Mia noteert twee seconden om samen met het lichtdeeltje van A naar B te reizen.

    Dit is nu wat de relativiteitstheorie zegt: afhankelijk van de snelheid van de waarnemer, veranderen de waarden van zowel tijd als afstand!!  Peter stond stil ten opzichte van Mia en het bewegende deeltje. Hij meet een bepaalde snelheid en een bepaalde afstand tussen A en B. Mia die met het deeltje is meegereisd heeft echter een andere waarneming gedaan. Zij had dezelfde snelheid als het deeltje dat ze moest meten, aangezien ze erop zat. En wat zien we nu? Hoe hoger de snelheid was van Mia en het deeltje, hoe korter de tijd die werd gemeten om de afstand van A naar B af te leggen, ten opzichte van de waarnemer op de grond, Peter.

    Tegen 100.000 km/sec. meet Mia slechts twee seconden om 300.000 km te overbruggen. Peter had daar de voor ons logische drie seconden gemeten. Dit kan enkel worden verklaard door het feit dat, wanneer je de eigen snelheid verhoogt, je niet alleen sneller bij je doel bent, maar ook dat de afstand tot het doel kleiner is geworden. De ruimte is dus ingekrompen voor degene die met zeer hoge snelheid reist! Normaal zou je denken dat wanneer Mia op het deeltje met een snelheid van 100.000 km/sec. reist, zij na twee seconden nog maar 200.000 km heeft afgelegd. Nochtans was zij op dat moment al aangekomen in B, dat voor Peter overduidelijk op een afstand van 300.000 km. ligt van A. De afstand is dus volledig overbrugd, reeds na twee seconden voor Mia. Haar snelheid was veel hoger dan die van Peter, en daardoor werd voor haar de ruimte ingekrompen. Zij heeft dus minder afstand moeten overbruggen om toch op dezelfde plaats te zijn die Peter waarneemt.

    Wanneer Mia met een lichtdeeltje meereist dat de lichtsnelheid heeft van 300.000 km/sec. dan is er voor Mia, zowel als voor het lichtdeeltje geen afstand meer. De ruimte is nu volledig in elkaar gekrompen. Er bestaat voor Mia nu geen tijd en geen afstand meer. Zij is overal tegelijk op hetzelfde moment. Peter die echter het geheel stilstaand gadeslaat, ziet nog steeds een lichtdeeltje dat precies één seconde nodig heeft om de 300.000 km te overbruggen tussen A en B.

     

    Deze dingen zijn geen fabeltjes, maar dit is pure wetenschap. Op deze theorie bouwen de ruimtevaartdeskundigen om hun raketten te lanceren en om afstanden in de ruimte te berekenen. Hoe moeilijk dit ook te bevatten is, toch is dit de werkelijkheid.

    Wanneer jij dus erin zou slagen om de trilling en snelheid van je gedachtenlichaam zo hoog te brengen, dan word je opnieuw licht, en dus ook opnieuw God. Op dat moment ben je overal tegelijk, omdat de afstand is weggevallen door de hoge snelheid die je hebt. Alleen God bevindt zich in deze positie. Voor God, het licht, is gans dit uitgebreid universum onbestaande. Voor hem is alles dus nog steeds in één punt samen, omdat hij kiest om het waar te nemen aan zijn eigen hoogste snelheid.

    Wij hebben echter gekozen om ons in de materie te nestelen en dus een tragere snelheid als onze realiteit te beschouwen. Ten opzichte van de aarde staan wij stil en hebben wij dus geen eigen snelheid. Daarom hebben we tijd nodig om ons van A naar B te verplaatsen. Ondertussen raast God ons langs alle kanten voorbij, maar we merken het niet eens. Zijn snelheid is te hoog voor ons, omdat ons materielichaam zulke snelheden niet aankan.

     

    Wanneer we dan over het begrip “tijd” eens goed gaan nadenken, dan kunnen ook wij niet anders dan tot de conclusie komen dat tijd niet bestaat. Ook voor ons is er maar één moment waarop we iets kunnen doen. En dat moment is “nu”. Er bestaat geen ander tijdstip dan “nu”. Je kan de beslissing nemen om straks iets te gaan doen, maar daarmee is het nu niet gedaan. En als je het dan doet, dan is het opnieuw het nu - moment waarin je het doet. Het is onmogelijk om effectief in een ander tijdstip te leven dan nu! 
    Vanwege onze gedachten kunnen wij mensen dit echter wel. Niet in het echt, maar wel in de fantasie! We doen dat immers voortdurend. We leven steeds in de herinnering van vroegere gebeurtenissen, of verlangend naar onze wensen voor de toekomst. Wij leven nooit nu! Onze eigen gedachten die bepaald worden door angsten en wensen hebben deze artificiële toestand voor ons gemaakt om voortdurend in een ander tijdstip dan het werkelijke te leven. Wie er dus in slaagt om effectief opnieuw nu te gaan leven, die wordt onmiddellijk terug goddelijk.

    Om de tijd te markeren hebben de mensen materiële dingen nodig, zoals de zon bijvoorbeeld. Wanneer we zeggen: “gisteren” of “morgen”, dan bedoelen we in feite: na de vorige of de volgende zonsopgang. Indien het materiële echter zou verdwijnen dan zou er eenvoudigweg geen tijd meer kunnen zijn. Dan bestaat er alleen nog een eeuwig nu - moment. 
    En ooit zal die materie weer verdwijnen, dat staat vast! Zelfs over een paar tientallen jaren zal er voor ons al geen tijd meer bestaan, want na onze dood hebben we immers geen materielichaam meer. Op dat moment bestaat tijd niet meer voor ons, en dan zweven we daar, denkend aan tijd, maar er bestaat geen tijd meer. Gelukkig kunnen we rekenen op onze leraren in het hiernamaals om ons verder te helpen uit deze moeilijke situatie.

    Neem de zon weg, en er bestaat helemaal geen vandaag of morgen meer. Neem elk horloge of materieel herkenningspunt weg, en iedereen kan enkel nog leven in het nu - moment. Wanneer materie eenmaal weg is, verdwijnt samen met haar ook de tijd. En wanneer tijd weg is, bestaat er ook geen ruimte meer. Alleen in die omstandigheden kan een God ook echt goddelijk en almachtig zijn.



 

Foto's

photo photo photo photo